Bij de berekening van de draagkracht voor kinderalimentatie wordt sinds april 2013 conform de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie uitgegaan van forfaitaire lasten, waaronder een forfait aan woonlasten ter hoogte van 30% van het netto besteedbaar inkomen. Dus wanneer iemand een netto besteedbaar inkomen heeft van € 3000 per maand, dan wordt in de alimentatieberekening standaard gerekend met een woonlast van 30% van dit bedrag, dus € 900 per maand. Vóór 2013 was dit niet aan de orde; toen werd nog gerekend met de werkelijke lasten.

De gedachte achter de overgang naar een nieuwe, forfaitaire rekenmethodiek was onder meer dat dit voorspelbaar zou zijn en dat het de rechtszekerheid ten goede zou komen. Ook zou hiermee tot uitdrukking komen dat iedere onderhoudsplichtige met het oog op de belangen van de onderhoudsgerechtigde zijn uitgavenpatroon zo dient in te richten, dat hij tenminste de bijdrage kan voldoen die volgt uit de forfaitaire berekening. Met andere woorden: de alimentatieplichtige kan niet opzettelijk heel duur gaan wonen om op die manier minder alimentatie te hoeven betalen.

In de praktijk wordt met enige regelmaat verzocht om af te wijken van de forfaitaire woonlasten. In het rapport van de Expertgroep is reeds een bepaling opgenomen voor de situatie waarin sprake is van hogere woonlasten dan het forfait, omdat er nog lasten zijn in verband met de (voormalige) eigen woning. Maar wat nu als een van de ouders veel lagere woonlasten heeft dan het forfait?

De Hoge Raad heeft hierover op 16 april 2021 een belangrijke uitspraak gedaan (ECLI:NL:HR:2021:586). In de betreffende zaak had de man de overwaarde van de voormalige woning van partijen geïnvesteerd in zijn nieuwe woning, waardoor hij feitelijk nog een woonlast had van € 95 per maand, terwijl de forfaitaire woonlasten € 678,30 bedroegen. De vrouw vond dat bij de alimentatieberekening rekening moest worden gehouden met de werkelijke woonlasten en niet met de forfaitaire. De man was het hier niet mee eens. Hij zei dat het zijn eigen keuze was om zijn woonlasten te verlagen; als hij het geld op zijn bankrekening had laten staan, had het ook geen invloed gehad op zijn draagkracht. Bij het hof kreeg hij gelijk, maar de vrouw ging in cassatie. De Hoge Raad gaf de vrouw gelijk. Als met de op basis van de forfaitaire woonlast berekende draagkracht niet (geheel) in de behoefte van het kind of de kinderen kan worden voorzien en er aanwijzingen zijn dat de werkelijke woonlasten van de betrokken ouder duurzaam aanmerkelijk lager zijn dan het bedrag dat volgt uit de toepassing van het forfait, dient de rechter steeds na te gaan of de draagkracht van die ouder, berekend met inachtneming van de werkelijke woonlasten, zou leiden tot een hogere onderhoudsbijdrage, zo oordeelt de Hoge Raad. Indien dit het geval is, dient de rechter ofwel deze hogere bijdrage op te leggen, ofwel te motiveren waarom hij daartoe, gelet op de verdere omstandigheden van het geval, geen aanleiding ziet. Van belang is dat er sprake dient te zijn van een duurzaam aanmerkelijk lagere woonlast dan het forfait; tijdelijk kosteloos bij familie inwonen behoort daar bijvoorbeeld niet toe.

Over deze uitspraak van de Hoge Raad schreef advocaat en mediator Geeske van Campen een bijdrage in het tijdschrift Rechtspraak Familierecht van Wolters Kluwer. Klik hier om de bijdrage te lezen.

Heeft u vragen over dit onderwerp? Neem dan contact op met Geeske.

Spread the word. Share this post!

Vragen over dit artikel? Neem contact op met Geeske van Campen.